Schrijfprobleem #12 Te veel variatie in dialogen

Een zekere mate van variatie is vaak een must in geschreven teksten, maar op één vlak kun je variatie beter vermijden: dialoogaanduidingen.

Als je iemand face-to-face spreekt, zal veel van de communicatie non-verbaal verlopen. Je maakt gezichtsuitdrukkingen of gebaren en sommige woorden spreek je net iets anders uit om er een bepaalde betekenis aan te geven. Als schrijver kun je bij lange na niet elke non-verbale uitdrukking aan de lezer tonen. Doe je dat wel, dan heeft dat doorgaans een hilarisch effect, wat meestal niet positief is.

‘Kom je nou naar bed?’ gaapt Sanne.
‘Ga maar alvast slapen,’ snauwt Maarten.
‘Het kan ook nooit eens op een pleziertje uitdraaien, hè?’ verzucht Sanne.

Het bovenstaande voorbeeld is nog maar een fragment van het probleem waar veel schrijvers mee kampen. De dialoog klinkt perfect in je gedachten, maar op papier lijkt het alsof er een orkest aan vreemde geluiden door de slaapkamer galmt. We lezen dat personages blèren, lispelen, uitbrengen, mummelen, enzovoorts. De meeste aanduidingen zouden een echte dialoog erg vreemd maken. Stel je eens voor hoe iemand drie zinnen achterelkaar zucht of hardop lacht. De eerste optie is lichamelijk zo goed als onmogelijk en de tweede zou een onverstaanbaar geblaat als gevolg hebben.

Zeggen is een uitstekend Nederlands woord dat exact laat weten wat er gebeurt. Hoe het personage haar woorden uitspreekt is doorgaans wel af te leiden uit de context. Bovendien leest het woord zeggen erg snel weg. Lezers zijn gewend aan het woord en zullen dus met een oogopslag begrijpen wat er gebeurt. Het gebruiken van synoniemen om variatie toe te voegen werkt dus averechts, want het vertraagt het lezen.

Overigens hoef je niet altijd een dialoogaanduiding te gebruiken. Soms maakt een bepaalde actie van een personage duidelijk dat zij aan het woord is, of is het vanwege de setting logisch wie er praat. Lees hieronder hetzelfde voorbeeld, maar dan zonder de wisselende dialoogaanduidingen:

 ‘Kom je nou naar bed?’ Sanne rekt zich hoorbaar uit.
Maarten zit voorover gebogen naar zijn computerscherm te turen. ‘Ga maar alvast slapen,’ zegt hij.
Sanne zucht. ‘Het kan ook nooit eens op een pleziertje uitdraaien, hè?’

Zet bovendien een dialoogaanduiding altijd na de eerste gesproken zin als een personage aan het woord is. Het is namelijk niet fijn om pas na tien gesproken zinnen erachter te komen wie er aan het praten is. In het ergste geval moet de lezer het hele stuk opnieuw lezen omdat hij dacht dat er iemand anders sprak.

Ben je er niet zeker van of je te veel of juist te weinig aanduidingen gebruikt, lees je verhaal dan hardop voor en luister hoe het klinkt.

Bron: Schrijvenonline #12